Tijdens zijn afscheid uit de gemeenteraad sprak Rob Roos over een soort “Republiek Stichtse Vecht”. Een samenwerking van gemeenten die zich steviger zou moeten opstellen tegenover de provincie. De zaal in de Grote Kerk Loenen moest er zichtbaar een beetje om lachen. Het klonk luchtig, bijna als een provocerende uitsmijter van een ervaren raadslid op weg naar de uitgang. Maar eerlijk gezegd bleef die opmerking bij mij hangen.
Misschien omdat ik de lokale politiek in Stichtse Vecht inmiddels al meer dan twintig jaar volg. Niet alleen vanuit de raadzaal, maar ook daarbuiten. Door gesprekken met inwoners, ondernemers, wethouders, ambtenaren, oud-politici en mensen die soms allang afgehaakt zijn, maar wél haarfijn aanvoelen wat er in een gemeente gebeurt.
En hoe langer ik meekijk, hoe vaker dezelfde vraag bij mij opkomt: hoeveel heeft een gemeente eigenlijk nog zelf te zeggen als het écht ergens over gaat?
Tijdens zijn afscheidsspeech sprak Rob Roos opvallend open over die machtsverhouding. Hij stelde dat de provincie steeds vaker “de machtskaart trekt” en dat gewenste ontwikkelingen van raad en college daardoor regelmatig vastlopen.
Dat zijn stevige woorden. Zeker tijdens een officieel afscheid.
Maar tegelijkertijd herkende ik precies waar hij op doelde.
Want kijk eens naar de dossiers die de afgelopen jaren in Stichtse Vecht speelden. Of eigenlijk: de dossiers die nog steeds spelen.
Neem de discussie rond windmolens bij Vreeland. Eigenlijk is een groot deel van de lokale gemeenschap tegen de plannen van de provincie. Niet alleen veel inwoners, maar ook het college en een meerderheid van de raad zien het simpelweg niet zitten.
Maar boven dat hele dossier hangt ondertussen de provincie. Niet alleen omdat zij verantwoordelijkheden en doelstellingen heeft op het gebied van energie en ruimtelijke ordening, maar vooral omdat zij op dit dossier simpelweg het bevoegd gezag is. En uiteindelijk geldt in bestuurlijk Nederland nog altijd een simpele werkelijkheid: wie erover gaat, bepaalt.
Of kijk naar het dossier rond betaald parkeren bij station Breukelen. De grond is van de provincie. De gemeente sputtert tegen omdat betaald parkeren niet past bij het lokale beleid en de uitstraling die men voor ogen heeft. Maar uiteindelijk ligt de machtspositie toch vooral bij degene die de grond bezit en de kaders bepaalt. Gevolg; rechtszaken die nu al weer een tijdje duren.
En dan de Scheendijk. Misschien wel één van de meest gevoelige en langlopende dossiers van Stichtse Vecht. Permanent wonen, recreatie, handhaving, ondernemers, natuur, vergunningen, provinciale regels — alles komt daar samen. Al jaren wordt er gesproken, overlegd, gezocht naar oplossingen en geschoven met interpretaties van regels. Maar ook daar hangt steeds diezelfde vraag boven de markt: hoeveel ruimte heeft de gemeente eigenlijk zelf nog wanneer de provincie uiteindelijk de doorslaggevende kaarten in handen heeft?
Maar de discussie stopt niet bij ruimtelijke ordening alleen.
Ook op het gebied van opvang van asielzoekers, vergunninghouders en de spreidingswet zie je hoe ingewikkeld de bestuurlijke verhoudingen zijn geworden. Gemeenten krijgen taakstellingen vanuit Den Haag. Provincies controleren vervolgens of gemeenten die opdrachten ook uitvoeren. Ondertussen probeert de lokale politiek balans te zoeken tussen draagvlak, menselijke opvang en de gevoelens die leven binnen dorpen en wijken.
Wat daarbij opvalt, is hoe sterk de maatschappelijke sfeer in tien jaar tijd veranderd is.
Ik moest daar laatst weer aan denken toen de discussie over opvanglocaties in omliggende gemeenten oplaaide. Demonstraties worden harder. De toon emotioneler. Sociale media versterken tegenstellingen. Waar inwoners vroeger misschien mopperden in een dorpshuis of op straat, ontstaan nu vrijwel direct felle online discussies, actiegroepen en protesten.
En toch was het nog helemaal niet zo lang geleden dat de sfeer anders voelde.
In 2015 werd in Kockengen de sporthal tijdelijk ingericht als noodopvang voor vluchtelingen. Natuurlijk was er toen óók discussie. Natuurlijk waren er zorgen en weerstand. Maar tegelijkertijd zag je iets anders gebeuren. Inwoners hielpen mee. Vrijwilligers organiseerden activiteiten. Raadsleden liepen binnen. Mensen probeerden er samen iets van te maken.
Dat contrast met nu is opvallend groot.
En misschien zegt dat ook iets over de tijd waarin we leven. Over druk op de woningmarkt, polarisatie, sociale media, onzekerheid en een overheid die voor veel mensen steeds verder weg voelt staan.
Want waar zijn bijvoorbeeld de grote toekomstvisies gebleven waar landelijke politici recent nog mee schermden? De “tien nieuwe steden” waar toenmalig D66-prominent en huidig premier Rob Jetten tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2026 mee kwam, verdwenen na de verkiezingen alweer opvallend snel naar de achtergrond. Was dat een serieuze visie op de toekomst van Nederland, of uiteindelijk toch vooral een politieke luchtballon?
Het interessante is dat dit niet eens per se een aanval op de provincie hoeft te zijn.
Want ook de provincie zit weer vast aan landelijke afspraken, stikstofregels, energiedoelen, woningbouwopgaven en juridische kaders. Dat maakt het bestuurlijke spel ingewikkelder dan vroeger. Alleen voelen inwoners vooral de uitkomst. Zij zien windmolens verschijnen, parkeerbeleid veranderen of woningbouwprojecten doorgedrukt worden en denken automatisch: “de gemeente beslist dat.”
Maar is dat nog wel zo?
In de podcast Bitterballen aan de Vecht hadden wij het daar onlangs ook over. Daar zei ik letterlijk dat ik denk dat één van de grootste uitdagingen voor de komende gemeenteraad misschien wel de machtsverhouding tussen gemeente en provincie wordt. Wie heeft uiteindelijk waarover iets te zeggen?
En precies dát maakt deze discussie zo interessant.
Want lokale democratie draait om nabijheid. Mensen stemmen op partijen en raadsleden waarvan ze denken dat die invloed hebben op hun leefomgeving. Maar tegelijkertijd lijken steeds meer grote dossiers zich af te spelen op een niveau bóven de gemeente.
Ruimtelijke ordening. Energie. Asielopvang. Infrastructuur. Woningbouw. Bereikbaarheid. Natuur. Stikstof.
Steeds vaker schuift ergens in het proces de provincie aan tafel. Soms zichtbaar. Soms achter de schermen.
En misschien is dat ook precies waarom de woorden van Rob Roos bleven hangen. Niet omdat hij letterlijk een “Republiek Stichtse Vecht” wil oprichten. Maar omdat hij hardop benoemde wat veel mensen in de lokale politiek inmiddels voelen: dat gemeenten steeds vaker moeten onderhandelen over hun eigen grondgebied.
Maar tegelijkertijd speelt ook de omgekeerde discussie.
Want de afgelopen jaren zijn steeds meer landelijke en regionale taken juist óp het bordje van gemeenten terechtgekomen. Van jeugdzorg tot opvang, van woningbouwdruk tot veiligheid, participatie en uitvoering van landelijke regelgeving. De vraag is dus ook of sommige van die taken niet opnieuw regionaal of landelijk georganiseerd zouden moeten worden.
Want eerlijk is eerlijk: deze bestuurlijke drie-trapsraket van Rijk, provincie en gemeente is voor veel inwoners nauwelijks nog te volgen.
Wie beslist nu eigenlijk waarover?
Wanneer is iets lokaal beleid?
Wanneer voert een gemeente alleen uit wat landelijk is afgesproken?
Wanneer grijpt de provincie in?
En wie is uiteindelijk verantwoordelijk wanneer inwoners vastlopen in dossiers die soms jarenlang voortslepen?
Dat inwoners daar het overzicht in verliezen, is eigenlijk volkomen logisch.
Misschien moeten we daarom stoppen met steeds grotere politieke luchtballonnen op te laten.
Want terwijl inwoners worstelen met woningnood, bereikbaarheid, stikstof, energie, opvanglocaties en de vraag wie nu eigenlijk waarover gaat, blijven politici vooral nieuwe vergezichten presenteren.
Misschien zit de echte behoefte van inwoners momenteel wel helemaal niet in nieuwe luchtkastelen of abstracte toekomstvisies. Misschien zit die behoefte veel meer in een bestuurlijk systeem dat weer begrijpelijk wordt. En politici die opereren vanuit lokale en duidelijke keuzes in plaats van eerst een berg moeten beklimmen van alle uitdagingen die vanzelf op het pad komen.
En misschien was die half-grappige opmerking van Rob Roos over een “Republiek Stichtse Vecht” daarom nog niet eens zo’n gek idee.
Want volgend jaar mogen inwoners alweer naar de stembus voor de Provinciale Statenverkiezingen. Ongetwijfeld volgen er opnieuw grote visies, regionale beloftes en bestuurlijke vergezichten.
Ik ben benieuwd welke regionale luchtballonnen er tegen die tijd weer worden opgelaten.
En ergens, diep in de lokale politiek van Stichtse Vecht, zal die ene vraag waarschijnlijk blijven rondzingen: wie bestuurt hier eigenlijk nog écht?
Misschien zag Rob Roos het tijdens zijn afscheid nog niet eens zo slecht.
En wie weet… wordt die Republiek Stichtse Vecht ooit nog eens de derde bitterbal aan de Vecht.
SV | Today is mijn persoonlijke etalage van lokale producties: kijken, luisteren en lezen met context. Niet het nieuws van vandaag, maar mijn lokale werk van nu. Daarnaast belicht ik hier lokale politieke thema’s en onderwerpen die mij als inwoner aan het hart gaan en die volgens mij extra aandacht verdienen. Sommige producties sluiten direct aan bij mijn werk als lokaal journalist, andere zijn volledig bepaald door de inhoudelijke keuzes van een opdrachtgever.


